Bijna elke aanvraag begint met dezelfde vraag: hoe groot moet het worden? Het antwoord hangt niet aan de zaal maar aan de verste kijker.
De vuistregel
Meet de afstand tot de verste kijker en deel die door zeven. Dat is ongeveer de hoogte die het scherm nodig heeft om comfortabel te kunnen lezen. De breedte volgt daaruit, want vrijwel al het beeld is 16:9.
Deel door zes als er tekst en cijfers op komen die tot achterin leesbaar moeten zijn. Deel door acht als het vooral video of sfeerbeeld is. Het is een startpunt voor het gesprek, geen norm.
Wat de zaal daarna doet
Een zaal van twintig meter diep vraagt met die regel al snel een beeldhoogte van bijna drie meter. Past dat niet onder het plafond, dan schuift de opstelling: breder en lager, of het publiek dichterbij.
- Publiek tot 100 gasten en een ondiepe zaal: 6 m² is meestal genoeg.
- 100 tot 250 gasten op een stand of in een congreszaal: 10 m².
- 250 tot 500 gasten met een podium: 15 m².
- Meer dan 1.000 bezoekers in een hal: 36 m² of meer.
Scherpte telt alleen van dichtbij
Hoe dichter je publiek staat, hoe fijner de pixelafstand moet zijn. Op een beursstand waar mensen op twee meter staan zie je het verschil tussen P2.6 en P3.9 meteen. Staat de achterste rij op twintig meter, dan ziet niemand het verschil nog en betaal je er wel voor.



